Barthes versus Iser en Achebe versus Gilbert/Gubar

Essay by myrteUniversity, Bachelor'sA-, September 2008

download word file, 12 pages 3.0

Downloaded 1415 times

MODERNE LITERATUURTHEORIE

DEELTOETS 1

Deeltoets 1 Moderne Literatuurtheorie, vraag 2

9 april 2007

BARTHES

Roland Barthes, een Franse literatuurcriticus, maakt deel uit van het structuralisme. Deze stroming concentreert zich - in plaats van op de betekenis zelf - op de omstandigheden die betekenis mogelijk maken. Het structuralisme probeert de betekenisdragers en de verschillende relaties tussen elementen in deze structuren in kaart te brengen.�

In het essay 'From Work to Text' beargumenteert Barthes dat de relaties van schrijver, lezer en criticus wordt veranderd door de beweging van werk tot tekst. Hij ondersteunt dit idee over de verschillen tussen werk en Tekst met zeven 'voorstellen' in termen van methode, genres, tekens, pluraliteit, afstamming, lezen en plezier.

Allereerst benadrukt Barthes dat het niet de bedoeling is dat we werk en Tekst zien als twee opeenvolgende dingen; de ene antiek en de andere modern�. Barthes ziet het verschil tussen Tekst en werk eerder in het feit dat de eerste een methodologisch veld is en de laatste een 'part of the space of books'.�

Net als bij het onderscheid van Lacans' tussen 'waarheid' en 'het ware' wordt het werk getoond (concrete waarheid), en is de Tekst een proces van demonstratie dat gevangen zit in taal. De Tekst wordt alleen ervaren in een activiteit van productie�. Bedoeld wordt dat de Tekst niet kan stoppen omdat het proces van taal nooit tot een eind komt: de betekenis wordt altijd uitgesteld.

De gezagsondermijnende kracht van de Tekst is dus dat het geen hiërarchie of een simpele verdeling in genres kan bevatten. De tekst probeert zichzelf precies achter de grenzen van genres te plaatsen. Alle literaire teksten komen voort uit andere literaire teksten. Er is geen letterlijke 'originaliteit meer: alle literatuur is 'intertekstueel' en 'paradoxaal'.�

Verder kan de Tekst benaderd worden als reactie op het teken.� Daarmee wordt bedoeld dat het werk zich sluit met een betekende die onder het bereik van een interpretatie valt. De Tekst daarentegen, bestaat uit het oneindige uitstel van de betekende. De oneindigheid van de betekenaar verwijst naar een 'spelen' - spelen met het verbreken, het overlappen, en het variëren tussen betekenaar en betekende.� Het werk is soms symbolisch, de Tekst is dit altijd. Net als taal is de Tekst gestructureerd, maar gedecentreerd, zonder einde.

'De Tekst is meervoud' .� Waar het werk eenduidig is, zorgt de Tekst voor een veelvoud aan betekenissen, aangezien het opgebouwd is uit tekens en de relatie teken en betekenis nooit een één-op-één-relatie is. Dit kan verbonden worden met het feit dat in de Tekst - in tegenstelling tot het werk - de intentie van de auteur niet belangrijk is. Barthes gebruikt twee verschillende metaforen: voor het werk het organisme (dat gestimuleerd moet worden om te groeien) en voor de Tekst het netwerk (dat zichzelf uitbreidt). Het is dus de taal in de Tekst die spreekt, niet de auteur zelf. Zo bekeken is het dus ook niet de auteur die betekenis toekent aan de tekst, maar de lezer. De Tekst probeert het verschil tussen lezen en schrijven kleiner te maken, terwijl het werk wordt geconsumeerd, slechts 'leesbaar' is.

De laatste aanpak om het verschil tussen werk en Tekst te demonstreren is het begrip 'plezier'. Ook hier gaat het weer om consumeren (werk) tegenover produceren (Tekst). Werk wordt hier verbonden met het begrip 'plezier' (van consumptie), terwijl de Tekst gerelateerd wordt aan het begrip ' juissance', een soort van orgastisch genot waarbij je je eigen identiteit verliest, dat ervoor zorgt dat de Tekst sociale (auteur, lezer, criticus) en tekstuele relaties overstijgt.

ISER

Wolfgang Iser was een Duitse literatuurwetenschapper. Samen met Jauss was hij de vertegenwoordiger van het Reader-Response Criticism. Bij deze literatuurbenadering gaat men er vanuit dat de zin of betekenis niet in de tekst zelf zit, maar dat de lezer zin/betekenis geeft aan teksten. Deze benadering onderzoekt de manier waarop zin en betekenis tot stand komen.�

Bij Iser staat de interactie tussen de structuur en haar ontvanger centraal. Het bestuderen van literatuur zou volgens Iser niet alleen de literaire tekst moeten omvatten, maar ook de reactie van de lezer op deze tekst.

Iser meent dat literair werk twee 'polen' heeft; een artistieke en een esthetische. Die eerste kan worden gezien als de tekst van de auteur en de laatste als de realisatie volbracht door de lezer�. Het is de lezer die het werk als ware in beweging zet.

De virtuele positie van het werk is die tussen tekst en lezer en haar eigenlijke realisatie is een resultaat van de interactie tussen deze twee�. De boodschap van de tekst is dus geen éénrichtingsverkeer, maar een samenspel. Vanuit dit oogpunt zoekt Iser naar de basisvoorwaarden van interactie.

Het precies beschrijven van deze interactie is moeilijk omdat een zekere 'onzichtbaarheid' de basis van deze interactie vormt. Deze onzichtbaarheid uit zich in het constant opvullen van lege plekken; hier komt onze basisbehoefte naar interpretatie uit voort. Bij het lezen is er echter geen - zoals bij sociale interactie - 'face-to-face'-situatie� , dus kan de lezer nooit weten hoe correct zijn interpretatie, zijn opvulling van lege plekken, is. Eerst moeten dus de codes die de interactie reguleren worden geherstructureerd voordat er een referentiekader gevormd kan worden.�

De situatie en de conventies reguleren de manier waarop lege plekken worden opgevuld, maar op hun beurt komen de lege plekken voort uit de onwaarneembaarheid en functioneren zij op die manier als 'basic inducement' voor communicatie�.

Iser gaat uit van een fundamentele ongelijkheid tussen tekst en lezer die de basis vormt voor de communicatie in het leesproces. Dat deze ongelijkheid niet benoemd kan worden zorgt ervoor dat er oneindig veel manieren van communicatie mogelijk zijn. Anders gezegd: de houding van de lezer wordt gecontroleerd door de tekst, maar deze vorm van controle zit niet in de tekst, hoewel hij wel door de tekst uitgeoefend wordt. �

Iser gebruikt de term 'impliciete lezer', die verwijst naar de verzameling leesaanwijzingen in de tekst (de lege plekken die opgevuld moeten worden). De lege plekken zorgen voor meer lezersparticipatie: doordat niet alles in hapklare brokjes wordt aangeleverd wordt de lezer gedwongen actief mee te werken aan het proces van betekenisgeving. Betekenis is in die zin dus een product dat voortkomt uit de interactie van tekst en lezer:� 'Whenever the reader bridges the gaps, communication begins'�

Iser maakt wel onderscheid tussen open plekken en ontkenning. Waar de eerste namelijk de lezer aanspoort om in de tekst te kijken, zet de tweede aan tot het onderzoek in relatie met de tekst. De open plekken maken nieuwsgierig, zetten aan tot invullen, en controleren tegelijkertijd de houding van de lezer. Ze zetten aan tot het leggen van verbanden tussen verschillende onderdelen en verdwijnen pas als deze verbanden daadwerkelijk gelegd zijn.

De betekenis van een tekst hangt dus nooit van één factor af. Iser onderscheidt vier perspectieven in een verhaal; die van de verteller, die van de personages, die van de plot en die van de fictieve lezer. Geen van allen staat gelijk aan de betekenis van de tekst.�

BARTHES - ISER

Zowel Barthes als Iser gaan ervan uit dat de reactie van de lezer op de tekst zou moeten worden beoordeeld wil men literatuur bestuderen. Maar waar bij Barthes de auteur 'dood' is en de betekenis geheel door de lezer wordt bepaald, schemert de auteur van Iser nog door in de artistieke pool van het literaire werk en de perspectieven die volgens hem een verhaal vormen.

Barthes' benamingen 'werk' en 'Tekst' lijken op de artistieke en esthetische pool van Iser in die zin dat zowel 'werk' als de 'artistieke pool' auteursteksten zijn, en de 'esthetische pool' en ' Tekst' lezersteksten. Zowel Barthes als Iser zien de lezer als degene die de tekst in beweging zet.

Zowel Barthes als Iser gaat ervan uit dat de betekenissen van een tekst oneindig zijn, maar bij Barthes komt dit voort uit de relatie Tekst - teken, terwijl Iser dit als een gevolg van de relatie lezer - tekst beschouwt. Anders gezegd: Barthes gaat ervan uit dat de Tekst niet kan stoppen omdat het proces van taal nooit tot een eind komt (de betekenis wordt altijd uitgesteld), terwijl Iser de eindeloze hoeveelheid betekenissen wijt aan de talloze referentiekaders die lezers gebruiken om hun lege plekken op te vullen.

De 'onzichtbaarheid' bij Barthes bestaat uit het feit dat alle Tekst intertekstueel is en het onmogelijk is om alle bronnen van een Tekst te achterhalen, terwijl bij Iser deze onzichtbaarheid voortkomt uit de onmogelijkheid om een andere ervaring dan je eigen te ervaren.

Zowel Barthes als Iser wijzen op lezersparticipatie: de lezer geeft betekenis aan de tekst. Bij Barthes gebeurt dit omdat het de taal is die spreekt (en niet de auteur zelf) en de lezer zo niet enkel ontvanger, maar ook betekenisgever wordt. De lezersparticipatie van Iser bestaat uit het opvullen van lege plekken die fungeren als verbindende schakel tussen lezer en tekst. Net als bij Barthes 'schrijft' de lezer op deze manier de tekst en werkt hij actief mee aan het betekenisproces.

ACHEBE

Barthes en Iser redeneren vanuit de tekst en de lezer. Bij Iser brengt de lezer weliswaar een referentieel kader mee, maar Iser plaatst dit kader niet nog eens in een context. 'Political readings' van teksten komen op in de jaren zeventig. Deze manier van lezen gaat in op de vraag 'Tot welke hoogte zijn literaire teksten het product van de historische periode waarin ze zijn geschreven?'�

Eén van de analyse-instrumenten die gebruikt worden in political readings is die van ras. Tot de twintigste eeuw was de literatuur die werd geschreven in het Westen voornamelijk het product van blanke schrijvers. Het thema van ras was er altijd al geweest, maar het werd meestal niet opgemerkt. In de pogingen zichzelf te definiëren ontkomt het Westen niet aan een kritische beschouwing over haar eigen representaties van niet-westerse culturen. Deze zelfdefiniëring en de kritiek op Westerse representaties staan aan het begin van het vragen en beantwoorden van vragen over Europa's koloniale verleden. Dit klinkt door in het relatief nieuwe gebied van postkoloniale studies.�

Chinua Achebe is één van de schrijvers die deel uitmaakt van het 'African-American-criticism'. Pas toen Achebe wees op de hardnekkige vormen van racisme in Joseph Conrad's Hart of Darkness in zijn essay 'An image of Afrika' (1977) werden Westerse critici geattendeerd op de twijfelachtige houding van Conrad tegenover Afrika en haar inwoners.�

Achebe is één van de personen die protesteert tegen de alomtegenwoordige aanwezigheid van raciale vooroordelen in het Westerse schrijven. In het essay beschrijft Achebe hoe Conrad Afrika afschildert als een primitieve plek. Hij spreekt van het Westerse verlangen om Afrika te gebruiken als vergelijkingsmateriaal, het te zien als primitief en achtergesteld in tegenstelling tot de geestelijke superioriteit van Europa. Heart of Darkness beschrijft Afrika volgens Achebe als 'de andere wereld'�. Conrad misbruikt volgens hem de verschillende connotaties van 'zwart', namelijk prehistorisch, onbekend, (bijna) onmenselijk. Het zwarte wordt dus eigenlijk gebruikt om het witte te karakteriseren.

Achebe noemt de mogelijkheid van ironie en kritiek van Conrad in Heart of Darkness, maar ontkent deze gelijk ook weer, omdat Conrad volgens hem niet genoeg afstand neemt van zijn verteller Marlow. Hij ziet geen onderscheid tussen auteur en verteller. Daarom noemt hij niet Marlow, maar zijn schepper Conrad een racist. Afrika wordt in Conrad's boek namelijk gereduceerd tot een achtergesteld verschijnsel dat het continent uitschakelt als humane factor.� Tegen deze dehumanisering van Afrika en Afrikanen strijdt Achebe. De historische context van Conrad is volgens Achebe geen excuus; Conrad's beschrijving van de mensen in Congo klopt niet en het Westen zou moeten inzien dat het Afrika gebruikt om zichzelf mee te vergelijken (een vergelijking die altijd in het voordeel van het Westen uitvalt).

GILBERT/ GUBAR

Ook de professoren Sandra Gilbert en Susan Gubar maken een 'political reading' van teksten. Ze zijn bekend voor hun gezamenlijke onderzoek naar de vrouwelijke, literaire traditie. Beiden werkten mee aan The Madwoman in the Attic: The Woman Writer and the Ninetheenth-Century Literary Imagination (1979). 'The Parables of the Cave' is het derde hoofdstuk hieruit.�

In dit hoofdstuk beginnen zijn met de mythe van de grot, waarin Plato ons toont dat we zijn opgesloten in ons eigen lichaam, dat onze medemensen net zulke gevangen zijn en dat niemand in staat is het eigenlijke wezenlijke zelf of dat van een ander te kennen. We nemen geen realiteit waar, maar alleen wat in onze geest is.�

Gilbert en Gubar wijzen op het feit dat een grot niet alleen een schuilplaats, maar ook een vrouwelijke plek is, een soort van baarmoeder. De anatomie van de vrouw is haar lot; niet alleen is zij een gevangene in de grot (Plato), maar ook in haar eigen lichaam.� Vrouwen zijn begraven in patriarchale definities van hun seksualiteit. Cultuur wint hier van natuur. Tenminste, zo lijkt het.�

Maar de baarmoederachtige grot is zowel de zwakte als de kracht van de vrouw. Helen Diner zegt dan ook dat 'all knowledge of Fate comes from the female depths; none of the surface powers knows it'.� Maar individuele vrouwen zijn nog steeds gevangen in de grot. De vraag is dus hoe vrouwelijke literatuur ontstaat als vrouwen niet uit de grot kunnen, hun eigen realiteit niet kunnen bevatten.

De vrouwelijke schrijver is bezorgd om haar positie in een patriarchale literaire cultuur. Hoewel zij zelf de grot, het mysterie is, lijkt het of zij de man nodig heeft om deze te ontrafelen en om er betekenis aan te geven. Maar zij is zelf de enige die de waarheid kan reconstrueren. Door dit te doen kan zij letterlijk haar eigen creatieve kracht 'de-cypher'en.� Volgens Gilbert en Gubar hebben vrouwelijke auteurs hebben last van 'anxiety of authorship'. Er is namelijk geen vrouwelijke literaire traditie, dus ook geen traditie om je tegen af te zetten. Doel moet dus het afschaffen van de 'anxiety of authorship' worden.�

De laatste parabel die Gilbert en Gubar beschrijven is het verhaal van een vrouwelijke artiest die de grot van haar eigen geest binnengaat en daar niet alleen de verspreide delen van haar eigen kracht vindt, maar ook die van de traditie die wellicht voor deze kracht gezorgd heeft. De vrouw is dus als het ware omringd door de brokstukken van haar eigen traditie. Ze kan zich niet alles herinneren en toch is het - bijvoorbeeld volgens Mary Shelley - mogelijk om deze traditie te reconstrueren. De vrouwelijke schrijver moet zichzelf dus herontdekken als een 'woman of art'�; de vrouwelijke artiest moet proberen haar verloren erfenis te herdefiniëren en te herstellen. Hiervoor moet ze afdalen in haar eigen dieptes; ze zal ontdekken dat in de grot niet enkel het verleden, maar ook de toekomst leeft. Tot die tijd kan ze alleen maar dromen van een soort van 'thuis' waar ze 'whole' en 'energetic' kan zijn.

ACHEBE - GILBERT/ GUBAR

Waar Achebe ingaat op het thema van 'ras' (African-American-criticism), gaan Gilbert en Gubar in op 'gender' (literair feminisme).

Samengevat zegt Achebe dat teksten over niet-westerse culturen vaak in vooroordelen vervallen, doordat ze ' het andere' gebruiken om zichzelf mee te vergelijken. Achebe stelt de auteur gelijk met de verteller als de auteur zich niet duidelijk distantieert van datgene wat hij laat vertellen. Volgens Achebe moet men zich bewust worden van racisme in literatuur; ook als deze verborgen zit in bekende werken.

Ook Gilbert en Gubar vinden bewustwording belangrijk: zij wijzen op het feit dat alleen vrouwen zélf de 'waarheid' kunnen reconstrueren. Alledrie de schrijvers zien de auteur als iemand die zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen tekst en alledrie leggen ze zowel de nadruk op de auteur als op zijn omgeving. Deze is verantwoordelijk voor het wel of niet behandelen van teksten en het versperren van de toegang tot literatuur voor bepaalde groepen.

In beide stromingen houden de auteurs politieke en persoonlijke motieven niet meer gescheiden. Zowel Achebe als Gilbert en Gubar zijn bezorgd om de positie in de huidige culturele context. Waar sommige etnische groeperingen genegeerd of verkeerd neer worden gezet worden vrouwen stelselmatig voorgesteld als degenen die hun eigen tekst niet kunnen verklaren. Zowel het literair feminisme als het 'African-American-criticism' wil herontdekken en de huidige vooroordelen over gender dan wel ras blootleggen. Beide benaderingen - ras en gender - draaien om het reconstrueren van de 'waarheid': Achebe wil de dehumanisering van 'de ander' tegengaan, Gilbert en Gubar willen dat de vrouwelijke artiest haar erfenis herdefinieert en herstelt.

BIBLIOGRAFIE

Boeken

Bertens, Hans. Literary Theory, the Basics. London/ New York: Routledge, 2001

Artikelen

Achebe, Chinua. An Image of Africa: Racisme in Conrad's Heart of Darkness. 1977

Barthes, Roland. From Work to text. 1968

Iser, Wolfgang. Interaction between Text and Reader.

Gilbert, Sandra et al. The Parables of the Cave. 1979

Internet

http://nl.wikipedia.org/wiki/Plato_%28filosoof%29

http://www.eng.fju.edu.tw/Literary_Criticism/postmodernism/Barthes_Foucault.html

Anders

Koens, Marije. Presentatie over Wolfgang Iser. Amsterdam, 2007

Peeren, Esther. Aantekeningen bij collegesModerne Literatuurtheorie. Amsterdam, 2007

� Bertens, Hans. Literary Theory, the Basics. London/ New York: Routledge, 2001. P. 76

� Barthes, Roland. From Work to text. 1968. P. 1471

� http://www.eng.fju.edu.tw/Literary_Criticism/postmodernism/Barthes_Foucault.html

� Barthes, Roland. From Work to text. 1968. P. 1471

� http://www.eng.fju.edu.tw/Literary_Criticism/postmodernism/Barthes_Foucault.html

� Barthes, Roland. From Work to text. 1968. P. 1472

� http://www.eng.fju.edu.tw/Literary_Criticism/postmodernism/Barthes_Foucault.html

� Barthes, Roland. From Work to text. 1968. P. 1472

� Koens, Marije. Presentatie over Wolfgang Iser. Amsterdam, 2007.

� Iser, Wolfgang. Interaction between Text and Reader. P. 1674

� Iser, Wolfgang. Interaction between Text and Reader. P. 1674

� Iser, Wolfgang. Interaction between Text and Reader. P. 1675

� Iser, Wolfgang. Interaction between Text and Reader. P. 1675

� Iser, Wolfgang. Interaction between Text and Reader. P. 1675

� Iser, Wolfgang. Interaction between Text and Reader. P. 1676

� Iser, Wolfgang. Interaction between Text and Reader. P. 1676

� Iser, Wolfgang. Interaction between Text and Reader. P. 1676

� Iser, Wolfgang. Interaction between Text and Reader. P. 1677

� Bertens, Hans. Literary Theory, the Basics. London/ New York: Routledge, 2001. P. 79

� Bertens, Hans. Literary Theory, the Basics. London/ New York: Routledge, 2001. P. 105/106

� Bertens, Hans. Literary Theory, the Basics. London/ New York: Routledge, 2001. P. 105

� Achebe, Chinua. An Image of Africa: Racisme in Conrad's Heart of Darkness. 1977. P. 1785

� Achebe, Chinua. An Image of Africa: Racisme in Conrad's Heart of Darkness. 1977. P. 1790

� Gilbert, Sandra et al. The Parables of the Cave. 1979. P. 1119

� http://nl.wikipedia.org/wiki/Plato_%28filosoof%29

� Gilbert, Sandra et al. The Parables of the Cave. 1979. P. 1120

� Gilbert, Sandra et al. The Parables of the Cave. 1979. P. 1119

� Gilbert, Sandra et al. The Parables of the Cave. 1979. P. 1119

� Gilbert, Sandra et al. The Parables of the Cave. 1979. P. 1122

� Peeren, Esther. Aantekeningen bij collegesModerne Literatuurtheorie. Amsterdam, 2007

� Gilbert, Sandra et al. The Parables of the Cave. 1979. P. 1123