Intellectualisme

Essay by PaperNerd ContributorJunior High, 9th grade October 2001

download word file, 25 pages 1.0

Downloaded 1964 times

Tommy Blommaert Een uitgesponnen kijk op de intellectuele wereld, naar aanleiding van het boek Neoliberalisme van J. Kruithof.

Samenvatting.

De intentie ligt besloten in het definiëren van het neoliberalisme. Als eerste geldt daarvoor het wereldkader waarbij we aandacht moeten hebben voor de historische vorming, de determinanten waaruit het bestaat en hoe deze zich onderling verhouden.

Sinds de 15de eeuw verkreeg de mens langzamerhand greep op gehele wereld. Er ontstond een complex handelingspatroon waarin de mens zich in die mate wist te handhaven zodat hij mogelijk controle kon verwerven over "zijn" wereld. Daar hebben belangrijke en stuwende krachten tot toe bijgedragen. Een eerste was de economische macht die zich, van in het begin, kenmerkte door "de groei naar winst ". Daarnaast ontwikkelde er zich een macht die zich richtte op de controle van het grondgebied. Het politieke overheidsapparaat drong zich op, afhankelijk van het beschikbare kapitaal, om over de territoriale macht toezicht te houden.

Instituten werden opgericht om de ordehandhaving op eigen gebied te bestendigen, en ook werden er nieuwe gebieden veroverd om de macht uit te breiden. Het was vanzelfsprekend om de mensen die sindsdien een grondgebied bewoonden te gaan opleiden. Het wezenlijke, dat alle mensen naar ontwikkeling streefden (streven), hield het gevaar van zelfstandig denken in . Men zou zich aan ongewenste en dominante horigheden kunnen gaan onttrekken. Het onderricht werd daardoor mede gelieerd aan welbepaalde ideologieën - de derde macht "“ zodat men van dan af aan een versterkte controle kon verwerven. Als laatste was er de culturele macht, het civiliseren van normen, reactiepatronen en omgangsvormen legde deels ook het menselijk gedrag aan banden.

Belangrijk is dat de volgorde waarin deze vier machten voorkwamen zeker niet willekeurig was. Toch is het mogelijk dat de volgorde kon / kan wijzigen. Voor elk proces - waarin de volgorde van de machten anders is - geldt dat het meest succesvolle de grootste slaagkansen heeft.

De ontstaansgeschiedenis van het wereldsysteem kent sinds de 15de eeuw een geleidelijke kapitalistische opmars. Dit betekent dat er oorspronkelijk meerdere staten waren die het geheel vormden zonder dat er reeds van een wereldrijk sprake was; daarna werden er welbepaalde economische zones gecreëerd binnen de staten. Vervolgens ontstond een kapitalistisch wereldrijk dat uit verschillende wereldrijken bestond. In een laatste (of vierde) fase konden de economische krachten zich ongehinderd ontwikkelen waardoor ze boven de bestaande staten uitgroeiden. Het huidige wereldstelsel bestaat uit gehelen. In het centrum overheersen duidelijk het economisch, het politiek, ideologisch en het cultureel deel. Voor de periferie geld het tegengestelde, de genoemde machten zijn ondervertegenwoordigd; de middelmaat herkent men in het semi-periferie gebied. De evolutie waarin de delen ontstaan is dermate dialectisch dat het vanzelfsprekend is dat het centrale deel zich versterkt door de verzwakking van de periferie. Het dynamisch ontstane wereldsysteem kenmerkt zich in grote mate door de verhoudingwijzigingen tussen centrum en de periferie, als ook doordeze binnen het centrum zelf. De "lange golven" "“ over een periode van 100 à 120 jaar en worden gedefinieerd a.d.h. van opkomst, stabilisering en neergang - laten in een éérste fase een materiële expansie; in een tweede de financiële expansie zien. Daarnaast geven de "Kondratiefgolven" - golven van 50 jaar - de opkomst van de industriële productiewijze weer; beiden benadrukken het wereldkader.

Als we nu die laatste fase nader gaan bekijken dan merken we op dat door het opheffen van de scheiding tussen productief en sociaal kapitaal sedert de jaren 80 het internationaal kapitaalverkeer vlotter is gaan verlopen. Een flexibel kapitaal doet de groei van investeringsbanken toenemen, waardoor het kapitaal onafhankelijk van de territoriale macht vrij kan bewegen. De investeringen op lange termijn verschuiven naar deze op korte termijn - dit komt de beurzen ten goede - institutionele beleggers spelen de voornaamste rol inzake kapitaalaangroei. Dat kapitaal wordt beheerd door de megasystemen die op industrieel en commercieel vlak de overhand hebben. Zij evolueren volgens een concentratie, via een oligopoliesering tot de ware monopolies. Het wezenlijke gevaar is dat zulke systemen alle conventies schaden. En al zijn patentrechten een mogelijk remmende kracht, toch blijft er de mogelijkheid bestaan om ook deze te omzeilen.

De macht van megaconcerns - ze hebben baat bij een grote economische macht - is ongenadig. Door hun ontwikkeling hebben ze ervoor kunnen zorgen dat de bevordering van de techniek de arbeidskrachten in de productiesector heeft kunnen reduceren. Het essentiële van de arbeid gaat meestal verloren. Dat daardoor ook de locatie van een bedrijf minder belangrijk is geworden is een logisch en wezenlijk gevolg van een "zelfstandig kapitaal" dat de productiekosten tot het minste heeft willen beperken. Megaconcerns kenmerken zich door transnationale corporaties, waarbij advocatenkantoren volgen, "waarderingsagentschappen" oprukken en beleggers hun ondernemingsgeest scherpen.

Privatisering kenmerkt de positie van de méér onafhankelijke en particuliere economie. De drie maatschappelijke actoren - staat, non-profitsector en profitsector - worden bepaald volgens hun eigen specifieke organisatievorm, soort activiteit en doelgroep, doelstelling en inkomstenbronnen. Het is echter zo dat die drie sferen t.o.v. elkaar evolueren. Een historische benadering maakt de context waarbinnen we dit moeten zien duidelijker. Het groeiende kapitalisme kon tijdens de periode van 800-1200 niet doorbreken zonder de hulp van de territoriale macht, deze voerden samen met de christelijke macht (ideologische) het beleid uit. Geleidelijk vergrootte ze haar onafhankelijkheid wanneer ze tijdens de periode van 1200-1500 uitbreidde naar de steden. Nog méér werd zij bij machte om met haar beleid te gaan domineren wanneer tussen 1500-1800 de ideologische orde door religieuze tegenstellingen werd verscheurd. De religieuze instellingen gingen zich toe leggen op het behouden en herwinnen van hun macht. De verzuiling die haar intrede deed - de emanatie van het apartheidsdenken "“ heeft grote sommen geld verslind en het levendige pluralisme verlamt. Het hek is van de dam wanneer de economische macht zich tussen 1800-1970 kon versterken door de industrialisering die met de hulp van een stuwend politiek beleid sterk groeide. Tegenwoordig heerst er de tendens naar pancommercialisering, de economie weet de ideologische sfeer te beheersen d.m.v. haar eigen ideologie, samengevat met de term "postmodernisme". Concreet gezien betekende dit dat de drie maatschappelijke actoren gedwongen werden om op elkaar in te werken indien zij enige maatschappelijke geldigheid wilden behouden. In deze historische context doen zich sinds de 15de eeuw twee algemene tendensen voor. Enerzijds ontstond een wereldsysteem en anderzijds de moderniteit. Deze laatste geeft concreter weer hoe de machten zich t.o.v. elkander zijn gaan verhouden. Hegemonie wordt te niet gedaan door handel, financiën en industrialisering. Ook bevrijdden ideologie en cultuur zich van het dominante christelijke geloof. Bovendien ontstonden er voor het politieke bestel nieuwe fundamenten. Hierbij is het van belang te weten dat het gaat over de historische bepaling van orde(n) waarbij de werkzaamheden van de macrosociale gehelen zijn georganiseerd en gecentreerd rond specifieke belangen. Het gaat om het creëren van een eigen identiteit, eigen principes en logica, eigen middelen en een intern controleapparaat. Meer concreet houdt dit in dat de economie de specifieke opdrachten van die orden niet kan opheffen maar wel over de potentie bezit om deze verregaand te gaan leiden of ze zelfs te gaan beheersen. Er bestaat geen autonomie van ideologieën, culturen en ethiek . Het Keynesiaanse model heeft er blijkbaar niet voor kunnen zorgen dat de staat zich goed heeft kunnen positioneren. Enerzijds heeft men nooit de volledige controle over de sociaal-economische sector verworven, anderzijds heeft men moeten toegeven aan de druk van de arbeidsbasis (vb. het afdwingen van stakingsrecht). Diepgaande wijzigingen van het politieke veld sinds de jaren 70 zijn het gevolg van continentaliseringen en mondialisering.

De economie ijvert voor maximale privatisering, het ontzeggen van regelgevingen voor het geldverkeer en natuurlijk ook voor de vrijhandel. Daarbij richt deze zich tot de politiek met de boodschap dat een gezond bedrijf optimaal functioneert onder een strakke monetaristische politiek; dit houdt in dat de staatsbegroting geen tekort kent en dat de munt haar waarde kan behouden. Men eist, lobbyt en saboteert. Daar waar het kapitaal de overheid reeds overtreft is de strijd die men op politiek vlak voert om de middelen reeds verloren; eigendom en controle zijn bij voorbaat gescheiden. De crisissen die ons land sindsdien teisteren (jaren 70), waarvan de BSE-crisis, KB-LUX en de zaak Dutroux als enkele van de meest recentste, onthullen steeds meer de intensieve aantasting van het staatsapparaat. Er is meer. Zo wordt onze natuur opgeofferd. De groeiende polarisering tussen arm en rijk is een feit net als toenemende werkeloosheid, uitsluiting en afbouw van het sociale zekerheidsstelsel. Het klassieke verzorgingsmodel dat werd ontwikkeld binnen de sfeer van arbeidsdeling om meer gelijkheid te creëren in de sociale sfeer werd vervangen door het poldermodel. De markt en de particuliere sector winnen daarbij aan belangen, individualisme steekt de kop op . De onzekerheid wordt vergroot door toenemende onveiligheid en criminaliteit. De democratie moet het bekopen omdat steeds minder mensen stemplichtig of geïnteresseerd zijn. Ze geven toe aan de onmacht, met een verrechtsing tot gevolg; en ook die migraties het culturele antagonisme voeden.

Wanneer we het liberalisme in de 20ste eeuw gaan bekijken dan merken we dat het tegenkantingen ondervond van Leninisten / Stalinisten en fascisten , al waren beiden slechts negatieve probaties. Het liberalisme bleef tot na W.O.I. bestaan. Daarna werd het klassieke model langzaam vervangen door de politiek van de christen-democraten en de sociaal-democraten, dit gedurende de periode van 1918 -1975. Het duurde echter tot W.O.II. alvorens de sociale democratie zegevierde . Gedurende de periode van 1918-1945 vergrootte men de staatsfuncties - een ware verzorgingsstaat met een Keynesiaans beleid. Aan het waarom van de privatiseringen biedt dit beleid een mogelijke verklaring. Daar waar de overheid zich in de crisis van jaren 30 meer financieel moest inlaten met de economie geldt het tegenovergestelde voor de jaren 70-90. Inhoudelijk betekent dit dat het erom gaat dat de staatskas werd gevuld, dat de overheid haar taken in bepaalde sectoren niet meer naar behoren kon vervullen en dat het particuliere belang door overheidsmensen een primaire doelstelling was geworden. Het zwaarste gevolg van deze privatiseringen was "“ tot op heden "“ dat de sociale zekerheid op een helling komt te staan, toenemende werkonzekerheid, afbraak aan de nationale soevereiniteit maar bovenal de bevordering van de economische machtsverhouding t.o.v. de politieke.

Ideologie en ethiek kenmerken echter de vier genoemde machten, dit in die mate dat hun determinanten erdoor kunnen worden geanalyseerd. Aan de hand van de vier ideologieën van de 20ste eeuw - waarbij in elk stelsel over de positie van de staat specifieke opvattingen bestaan - kan de toestand (verleden en heden) van de vier genoemde machten voor de infra "“en suprastructuur nader worden bepaald. Uitgangspunt is het in acht nemen van de vernieuwingsbewegingen sinds de jaren 60 waarbij wel doeleinden en normen een omwenteling beleefden maar niet de waarden. Als eerste geldt de neoliberale moraal waarbij het recht van de sterkste ten alle tijden wordt gelegitimeerd met als gevolg dat er een groter deficit inzake normering ontstaat. Daarnaast is er de traditionele ethiek die zich laat conditioneren door de neoliberale. Men streeft voor sociale solidariteit, maar onderneemt niets tegen het individualisme. Vervolgens is er de neoconservatieve moraal . Het gaat om de behoudsgezindheid inzake waarden doeleinden en normen die men vooral diept uit de sfeer van de menselijke persoon, de basis voor een betere wereld. Ook zij laten de vrijemarkt haar gang gaan, al is het zo dat hun kritiek op het neoliberalisme hout snijdt. Verder is er de fascistische moraal waarbij men ijvert voor een "nieuwe orde" met de klemtoon op strakke hiërarchische verbanden. Een laatste moraal is de emancipatorische met wortels in de westerse moderniteit en de verlichting. Het is een "open minded" ideologie, wat voornamelijk betekent dat zij voor de arbeidende klasse op alle vlak "het meest positieve resultaat verwezenlijkt willen zien". Algemeen "“ omwille van de interactie tussen de verscheidene ideologieën - heerst er tegenwoordig in de westerse samenleving een de-ethiseringstendens. Elke ideologie heeft, volgens hun eigenheid aan standpunten, schuld aan de afbraak van de collectieve verantwoordelijkheid, de neoliberale treft daarvoor echter de meeste zonde. Er is wel degelijk een wezenlijk verschil tussen gelijk hebben en gelijk halen; met macht wordt een waarheid vaak de waarheid. Irrationaliteit is een feit dat binnen deze beschavingscrisis naast subjectiviteit inzake waarheid, goedheid en schoonheid het individualisme huldigt. Wat daar o.a. mee samengaat is cynisme en nihilisme - een decadente uitspatting "“ en het verlies aan religiositeit.

Naast de "privatisering" is er het begrip "de markt" waarmee binnen het wereldkader de vier genoemde machten zullen worden ontmaskerd. Hierbij gaat het in de eerste plaats om commercialisering . Begrippen als de grootte van de ruilwaarde - die kwantitatief in een prijs wordt weergegeven - productie en distributie en het mechanisme van vraag en aanbod zijn hierbij van belang. Tevens is het zo dat deze niet altijd met elkaar in overeenstemming zijn, er is overproductie of overaanbod. Het economische gebeuren wordt gedomineerd door de uitbreiding van de markt dat overeenkomstig volgende mogelijkheden gebeurt. Er stellen zich meer gebieden open voor de handel (geografische toename), steeds meer sectoren gaan zich commercialiseren of het aanbod voor welbepaalde sociale groeperingen wordt vergroot. Niettemin kan men ook de ontwikkeling van verschillende vormen van ruilen bevorderen. De basis voor deze realisatievormen blijft hoe dan ook de arbeid. Ook al doet men daarbij afbreuk aan de essentiële waarden van "de arbeid" de uitbereiding van de levensstandaard van werknemers (in Europa) lijkt gewettigd. De problemen die een commercialisering te weeg brengen zijn evenzeer niet gering, aanvullend op deze over de afname van de politieke macht op de economie. Zo zijn er de feiten van een sterkere polarisering wat betreft de participanten, uitgerangeerde en van de schaarser wordende grondstoffen. Het draait om winst en die betekent "groei", wat op zich niet de laatste doelstelling in het arbeidsproces is maar wel de behoeftebevrediging. Zo wordt er gestreefd om zo veel mogelijk sectoren erbij te betrekken. Voor sommige ervan kan men echter enkel hun ruilwaarde en niet hun meerwaarde monetariseren; niet te min dient men ze te ontwikkelen. We denken o.a. aan de kleine vzw's - doorgaans zijn deze afhankelijk van subsidiëring - die wanneer zij een grotere doelgroep willen gaan bereiken zich genoodzaakt voelen om hun gedachtegoed als een product te gaan beschouwen. Men dient dit als een ruilwaar aan te bieden; ook al is de opbrengst gering. Het stelt hen in staat om een grotere onafhankelijkheid aan de dag te leggen . De kritiek die aansluit bij de negatieve gevolgen die door het winstbejag worden veroorzaakt lijkt dan ook evident. De vraag naar wat er al dan niet in de gemonitariseerde markten moet worden opgenomen maakt een onderscheid in de kapitalistische belangen duidelijker. Er zijn niet verhandelbare condities, waarbij men er soms de mogelijkheid in ziet om enkele daarvan onder te brengen in een tweede categorie, deze van de verhandelbare condities. In de kapitalistische context betekent dit heden ten dagen dat er geprivatiseerd wordt. Natuurlijk zijn er ook nog de producten die tot de laatste categorie behoren, deze die niet verhandelbaar zijn / niet verhandelbaar mogen zijn. Deze die daarin wel verhandelbaar worden gesteld mogen niet gemonetariseerd worden. We denken aan het vb. van de gezinsarbeid waarbij er als eerste het probleem was dat de man daar algemeen van geprofiteerd had - eens thuis gekomen van een "harde werkdag" was het eten klaar, de was en de opkuis reeds gedaan. Ten tweede wordt, net als in de meeste gegoede burgerij, een doorsnee vrouw die uit werken gaat niet minder van haar lasten verlost. Het lijkt een must dat monetarisering zich hierbij niet voordoet.

De winst moet kunnen groeien en daarvoor is een vrijhandel van wezenlijk belang. Maar de machten die deels of geheel binnen een land werkzaam zijn nemen daardoor een tweezijdige houding aan. De economie is gediend met internationale verhandeling van alle goederen. De politieke macht ziet daarin een bedreiging van hun inkomsten omdat het kapitaal zich van een "selectief spel" bedient. De overheid moet zich enerzijds organiseren in overeenstemming met de economie omdat zodoende de nationale welvaart een groei kent. Anderzijds wordt deze eigen nationale economie afhankelijk gemaakt van de internationale wanneer zij enige kans op voortbestaan wil hebben. Wanneer vrijhandel een must voor de winst is, betekent dat ook de concurrentie moet worden bevorderd. Op zijn beurt stimuleert deze de drang naar concentratie. Een te algemene afzetmarkt is niet rendabel. Daar waar concurrentie participanten kan elimineren daar zorgt een concentratie voor een verstrekte positie na overname van de uitgeselecteerde(n) . De geoorloofde concurrentie is bovendien bij voorbaat niet al te positief. Er zijn gevolgen "“ o.a. de ongelijkheid voor de basiscondities (vb de geografische ligging), marktspelers die al dan niet bij voorbaat worden gesteund, ongelijke verdeling van een wenselijk basiskapitaal en ook vitale basismechanismen kunnen worden afgebroken - die in het verlengde liggen als deze van de ongenadige macht van megaconsurns .

Een bredere benadering van het neoliberalisme wordt vervolgens bekomen door het begrip democratie te analyseren. "Het betreft een geheel van principes over de ordening van macht-en gezagsrelaties tussen sociale eenheden ". Algemeen gesteld betekent dit dat de basis van die sociale eenheden bij machte dient te zijn om te besluiten, uit te voeren en om te controleren. Het is vanzelfsprekend dat de basis de macht moet hebben en behouden. Dit omdat alle mensen streven naar ontwikkeling "“ wat zonder macht nooit volwaardig en voor de gehele massa onmogelijk is "“ alsook het de basis is voor een normatieve ordening van de menselijke samenleving. Het beslissingsproces kan echter door de basis niet altijd zonder problemen verlopen - wat tevens een gevolg is van het maatschappelijke proces van roldifferentiëring en arbeidsverdeling. Door representatie en delegatie wordt een afgeleide macht gecreëerd. De representatie moet mogelijk zijn, efficiënt en men dient te weten dat alleen de basis de oorspronkelijke macht heeft. Maar ook wanneer zowel het midden als de top van de maatschappelijke ordening "slechts" een afgeleide en representatieve macht vertegenwoordigen, kan de ontwikkeling met de minste problemen gebeuren, de basiskenmerken van de representatie in acht genomen. Verder kan het principe van centralisering , gekoppeld aan veralgemening, egalisering en integratie, verbonden worden aan de ordening van machts -en gezagsrelaties tussen sociale eenheden. Het spreekt voor zich dat met een dergelijke strategie een controle wordt behouden die een negatief effect heeft op de ontwikkeling van elk individu op zich. Evenzeer zijn maximale "input en output" een noodzaak voor een goed functionerende participatie aan het algemeen belang. Zelfs als we rekening houden met het sociaal Darwinisme, waarmee velen hun eisen willen hardmaken, is het niet onmogelijk om een maximale input te verwezenlijken. We hebben reeds het beeld geschetst waarin het ontstaan van de democratie duidelijk is geworden. Meer specifiek betekent dat, met de nadruk op representatie en delegatie, in het ontstaan van de moderniteit de representatie centraal komt te staan. Sinds de 19de eeuw zijn parlementaire regimes ontstaan met meerder partijen, waarvoor geldt dat de verkozen vertegenwoordiger hun kiezers, hun partij en het gewest of natie dienden te vertegenwoordigen. De verdere ontwikkeling ervan maakt ons duidelijk dat het geheel deerlijk in gebreke blijft. Bijvoorbeeld het hard maken van de stemplicht, omwille van de maatschappelijke afhankelijkheid, maar ook door de scheiding van wetgevende "“ uitvoerende en juridische macht.

Naast het wereldkader, waarin de vier genoemde machten werkzaam zijn, dienen we aandacht hebben het internationale, continentale en het nationale terrein. Daarbij moeten we de belangentegenstellingen op economisch en politiek vlak in acht nemen. Voor de eerste twee terreinen geldt er echter weinig vernieuwing op te merken. Wat rest is dus het nationale dat met België als voorbeeld wordt besproken.

Naast de verzuiling, deze is één van de 2 structurele condities binnen de context waarin het politieke leven zich afspeelt, is er de pacificatiegedachte. Die stelt dat sociale tegenstellingen ten alle tijden moeten worden vermeden, sinds de jaren "˜60 t.e.m. de jaren 70' is men er in vele opzichten ook in geslaagd. De doelstellingen van de sociale beweging in deze periode waren enigszins duidelijk maar gedurende de volgende twee decennia kreeg het sociale verzet te kampen met invloeden van het postmodernisme . Er ontstond in deze periode de Nieuwe Politieke Cultuur (NPC), het engagement steunde op voluntarisme en idealisme, aangezien men een beroep doet op de goede wil. Het gevolg was echter dat deze nieuwe partijen en formaties binnen partijen gedoemd zijn te mislukken want zij gaan niet uit van een sociale beweging. Ook omdat hun ideaal, de "citoyen", een universeel begrip en niet klassengebonden is. De oude politieke orde, waarbinnen de NPC ontstond, ondergaat een crisis door onfunctionele basismechanismen. Ze neemt de politieke programma's niet onder de loep maar veeleer buigen zij zich over formele problemen. Een efficiënter en een méér prestatiegericht politiek bedrijf dat vrij is van corruptie en bedrog dat tegelijk dichter bij de burger komt te staan aanziet men als een hoogstaande prioriteit. Wanneer mensen een zelfbewustzijn en een positieve zelfwaardering aan de dag leggen is een nationaal besef mogelijk. Vanuit dat besef is het vervolgens mogelijk om te streven naar een politieke eenheid en zelfbeschikking - de staat. Als deze (politieke)beweging de eigen natie, met daaraan een politiek apparaat "“ een soevereine staat met zelfbeschikkingsrecht eraan toegevoegd - hoogwaardig gaat prijzen is het nationalisme reëel. In negatieve zin wordt dit gebruikt voor andere belangen en politieke doeleinden, het behoort de rechtsgezinden toe die doorgaans ook internationalist zijn. Positief betekent dit dat men eigen soevereiniteit erkent maar niet tracht te verzanden in ongelijke afbakening van volkeren en gemeenschappen, dit is doorgaans links getint en minder internationalistisch, zoals uit W.O.I. bleek. Tevens schiet het nationalisme als vervangende (of ondersteunende) factor in de internationale klassenstrijd tekort.

Een ander gevolg van de economische politiek die het neoliberalisme huldigt zijn de ontheemden, vluchtelingen, asielzoeker en ook de migraties . Deze invloed berust niet alleen bij de economie maar ook hebben de drie andere genoemde machten er, elk op zich en door hun interactie met elkaar, schuld aan. Voor deze mensen wordt hulp en opvang (slechts) in die mate geboden wanneer zij binnen de economie van enig belang zijn; leve de toerist. Het betekent dat men de Europese grenzen "hard" verdedigt "“ op een vrij onhumane wijze (zij het nu financiële of materiële hulp). Evenmin deinst men er voor terug om ook op politiek vlak de strijd aan te gaan. Evenwel hebben zij economische, sociale, politieke en culturele rechten die feitelijk ten alle tijden naar behoren dienen te worden gerespecteerd. De bestaande maatschappij wordt dan ook overspoeld door nieuwe en vreemde elementen, samen vormen zij het zogehete samenlevingsverband. Verscheidene modellen als assimilatie, gettovorming en democratisch etnisch en cultureel pluralisme zijn mogelijk om een oplossing "“ met een positief en/of negatief effect "“ te bekomen. In deze context van samenlevingsmodellen geschiedt het monoculturalisme en al dan niet het multiculturalisme. In een maatschappij waar dus meerdere samenlevingen bestaan gaan individuen op zich, in groep of in maatschappij een ideologie verdedigen die ijvert voor etnische, culturele en nationale diversiteit, gebonden separatisme. Het is ook mogelijk dat men voorstanders is van veralgemeende regels zonder deze specifiek te gaan universialiseren. Als ook dat alle personen, groepen, gemeenschappen pleiten voor één coherent mondiaal geheel zonder de vernietigende interne contradicties. Wat mensen er toe aanzet om binnen deze maatschappelijke context "“ met inbegrip van het naast elkaar bestaan van verschillen culturele gemeenschappen (allochtonen en autochtonen) - verschillende ideologieën te handhaven met het oog op het verzekeren van alle basisbehoeften kunnen we samenvatten onder de term "veiligheid ". Deze wordt, voornamelijk door de overheid, niet voldoende getemperd. Veiligheid wordt onder meer verzekerd door justitie. Het is echter zo dat justitie faalt, de "trias politica " zijn niet meer naar behoren op elkaar afgestemd. In de huidige periode van het gerechtelijk systeem is niet meer de inhoud of juridische autoriteit van belang maar eerder de vorm van de procesvoering. Er is reeds een grote technische achterstand ontstaan, het ontbreekt de wetgeving aan coherentie, het richt zich op controle en toezicht - eerder dan diepgaande oorzaken te gaan bepalen.

Individualisme is een feit dat zich vandaag de dag harder doorzet in alle maatschappelijke sectoren. Aan de basis liggen economische dynamieken die de arbeidsdeling hebben doen toenemen en waarop de scholing zich diende af te stellen. Individualisme is voor de vrije markt een unicum. Het gevolg daarvan is dat zij die niet tot de bourgeoisie behoren door allerlei vormen van sociale oppressie en uitsluiting er toe gedwongen worden om op zichzelf terug te vallen. Egoïsme, verloedering van de verantwoordelijkheid en relativisme zijn troef geworden. Alleen voor onszelf zijn we verantwoordelijk, als het ons schikt. We geven toe aan onze ziekelijke eigenliefde, we zijn de vrucht van de commercialisering en onze eigenwaarden die we te goeder trouw zouden vervangen verkrijgen mogelijk een eenzijdige dimensie. In deze lijn ligt, mede sinds de industriële revolutie, de zogenaamde scheiding tussen privé-eigendom en privé-leven. Het is jammer dat daardoor vele waarden van ons breder sociaal engagement zijn gaan verdwijnen. Het gezin is echter geen onafhankelijk gegeven. Het kan geen wereld op zich worden waarin we denken te geloven dat verloren gegane waarden als bij toverslag ons tot het goede zullen (en moeten) bekoren . Wat ons mede helpt om die droom te kunnen concretiseren is het aangenaam tijdverdrijf, het "entertainment" waarbij we het contrast tussen onze arbeid en onze vrijtijd verzachten. Wat vermaak verzekeren kan is dat wat arbeid voor ons realiseert - het vraagt om bevrediging van onze daarbij opgewekte lustdrang. Het vermaak behoort in de economische context van het winstbejag thuis. Daarbij heeft het een eersterangs positie verworven omdat het een economische surplus, verbreding en intensifiëring van de markt, uitbreiding van de vrije tijd en een eigen industrie tot stand heeft kunnen brengen. Een eerste gevolg is dat kwaliteit en kwantiteit nauwelijks in elkanders verlengde liggen, iets wat functioneel is verre van onschuldig. Er zijn namelijk ook gevolgen aan verbonden"“ in de lijn van die van de ongenadige macht van megaconsurns - zoals de vernietiging van de natuur en de verspilling. Men vervuilt, rooft en vernietigt.

Naast het vermaak hoort ook het toerisme in deze economische sector thuis. Men kan spreken over een expansief toerisme dat, naast de soortgelijke gevolgen van het vermaak , samen met de massapromotie van de sportevenementen het vluchtideaal vergroot. Het televisiemedium is eveneens geen onschuldige - zowel op cognitief, emotief als actietendentieël gebied weet ze mensen te beïnvloeden. Door het complex, verweven en manipulatief gebruik van beeld, woord en klank is het voor de ontvanger ervan niet eenvoudiger op geworden. Informeren, onderrichten en vermaken hebben aan essentie moeten inboeten. De media heeft haar macht op het voogdijschap in die mate weten te vergroten - een grote onafhankelijkheid werd verkregen waarbij men de kijker slechts op interactieve wijze laat participeren aan hun verstrengeling - dat de leugen en waarheid kunnen worden verweven zodat de kijkcijfers kunnen groeien. Macht betekent voor de media een zelfstandig kapitaal, werkzaam volgens de wetten van de markt waarbij ons onafhankelijkbewustzijn gretig wordt verwoest. Verder heeft de neoliberale economie haar macht d.m.v. de cultuurproducten weten te vergroten, geen goede ontspanning zonder luxe aangezien de kunst licht en opvallend verteerbaar is.

Het meest belangrijke blijft dat we doorgaan met het ijveren voor de algemene verbetering van de mens en de natuur. Want al heeft het maatschappelijke verzet - dit dat sinds de jaren 60 ontstond vanuit verschillende bewegingen - iets kunnen realiseren (maar niet op het vlak van menselijke waarden) het is nooit af. Veelal hebben dergelijke sociale bewegingen interessante doelstellingen maar blijven ze jammer genoeg beperkt tot één specifiek domein. Daarbij zijn méér en actievere participanten gewenst waarbij men het gebeuren dient te radicaliseren, te internationaliseren en uit te breiden naar alle deelterreinen van het maatschappelijke leven. Het vormt de motivatie, de inzet van sociale actiegroepen die tijdig dienen over te gaan naar sociale bewegingen om vervolgens via politieke bewegingen een politieke partij te kunnen vormen. De volgorde is specifiek alsook de juiste momenten. Met een dergelijke inzet moet men zich gaan toeleggen op de economie, in al haar aspecten, de overheid en haar politiek, de ideologische sfeer en in geringere mate ook op de culturele sfeer.

Bespreking.

Bij aanvang van een bespreking wil ik het volgende opmerken. De vele conclusies die worden getrokken - waarbij de vele feiten dat ontegensprekelijk ondersteunen "“ worden op een zodanige wijze op de voorgrond in het relaas over het neoliberalisme geplaatst dat men gedwongen zou zijn om enkel op basis van die feiten de conclusies te bevestigen. De filosofische redenering staat op de achtergrond centraal, wat misschien betekent dat men veeleer Kruithof's filosofische en analytische kijk zou moeten kennen om daarin te kunnen volgen, zonder afbreuk te doen aan diens inzicht en verhaal. Niettemin zijn de conclusies (meestal) ontegensprekelijk, zij het dat ze kunnen worden bevestigd door parate kennis of door aanvullend onderzoek. Wanneer recensenten en critici zich uitspreken over het ontbreken van bronnenmateriaal hebben zij een punt als het gaat om het wetenschappelijke gewicht inzake de geldigheid van de feiten. De nadruk in het werk ligt echter meer op een "opus magnum" van een denker die vanuit zijn maatschappelijke positie verhaalt over die samenleving.

Het begrip neoliberalisme wordt in het boek grondig voorzien van een gezicht. Het betekent dat J.Kruithof het huidige wereldkader op een rationele historische wijze analyseert en daarbij ook de continentale en regionale benadering niet ontziet. Natuurlijk staat Kruithof met zijn relaas "“ gelijkend op een logische sequentie waarin de feiten elkander versterken om zo tot harde en diepgaande constituties te komen - in de adat van denkers die het maatschappelijke (opnieuw) verdedigen. Is het dan zo gewoon dat men in een dergelijke traditie staat, aangezien men ook meent te zeggen dat hij "een filosoof van de woede is"? Tegenwoordig heeft de intellectueel zich "“ wijzend op de "redelijke" determinanten binnen het kader van de industriële revolutie "“ op dergelijk wijze weten te ontpoppen dat diens intellectualistisch elitarisme heeft bijgedragen aan nieuwe conventies inzake zijn maatschappelijk engagement. De vernieuwing van de wetenschappen en het daarbij aanvullende samenwerkingsverband met de massa is een feit. Eveneens heeft de universitaire wereld haar eigen wereld tot een vesting gevormd "“ het wordt kil op de noordpool. Sinds de twintigste eeuw is er over het (sociaal) maatschappelijk engagement een vernieuwend model geformuleerd. Omwille van de maatschappelijke veranderingen zijn de intellectuele middens zich sociologisch en ideologisch anders zijn gaan oriënteren. Zeker is dat J.Kruithof getuigt van een sociale oriëntering waarbij we in acht kunnen nemen dat het zich richten tot de massa niet zonder problemen verloopt, gegeven de kennisbarrière en hiërarchische structuur. Maar ook wordt een individu in zijn streven naar ontwikkeling misleid en belemmerd. De reële waarden die in een persoonlijk streven essentieel zijn "“ zekerheid (alsook voorzienigheid) "“ en die de mogelijkheid omvatten om te evolueren in eigen traditie worden ontzien. We leven in een maatschappij waarin het "aanwakkeren van de mimetische rivaliteit " de mens als zodanig een rad voor de ogen doet draaien opdat diens af-reactie "“ aangezien hij na een harde dag werken zijn lustdrang dient te bevredigen - kan worden gekanaliseerd. Het is de economische grootmachten erom te doen dat men de massa zo goed mogelijk kan domineren, regeren en amuseren. Kortom een reëel bestaande kloof tussen de massa en de intellectueel. Samengenomen gaat het om het volk dat participeert aan de maatschappelijke belangen en om de intellectueel die eveneens in die maatschappij staat waarin deels dezelfde belangen zijn opgenomen.

Niettemin is het, kan het zijn taak zijn om de aan de gang zijnde toestanden die op algemeen economisch, sociaal en cultureel vlak een concentratie vormen en die onzekerheid bepalen te analyseren. Alsook om het alternatief en het mogelijke verzet van een perspectief te voorzien. Natuurlijk is hij in die mate sociaal betrokken dat het hem gaat om verstandelijke weerstand tegen die mechanismen en dominantie . Meer specifiek houdt dit in dat de intellectueel (voornamelijk) de waarheid zoekt en deze ook vertelt. Zoeken betekent dat men moet kunnen bepalen wat belangrijk is. Anders gezegd, dat de beoogde triviale waarheid deze dient te zijn die over kwesties gaat die voor mensen belangrijk zijn en waar zij ook iets aan kunnen doen. alsmede dat de toehoorders de juiste zijn .

Is die waarheid gevonden? Datgene dat wordt gezocht is wat de massa, de basis van de maatschappij, belemmert om volwaardig te kunnen streven naar ontwikkeling. Aan de hand van een historisch onderzoek bepaalt men hoe de gemeenschap is samengesteld. Dat betekent te zeggen hoe elke economische, politieke, ideologische en culturele determinant zich onderling verhoudt, alsook hoe deze het sociale geheel samenstellen. Natuurlijk gaat dat niet zonder het verleden te kennen, aangezien ook J.Kruithof zelf zegt dat dit een bron van informatie is om heden en de nabije toekomst aan te vatten. Eveneens wordt doordeze determinanten - het samenspel en ook in elk gebied afzonderlijk "“ te gaan onderzoeken binnen een wereldkader, waarbij de opdeling van centrale, semi-periferie en periferie gebieden, en binnen internationale, continentale en nationale domeinen het geheel geconcretiseerd zonder daarbij afbreuk te doen aan de kwintessens in elk gebied. Het resultaat - wat het neoliberalisme definieert als een complex ideologische macht die ongenadig, rijk en niet zonder ernstige gevolgen is"“is een economisch, politieke, ideologische en culturele omkadering als dusdanig. In deze omkadering leeft het individu, op zich, in een gemeenschap, in een samenleving, als ook de intellectueel. Het kader wordt steeds gekenmerkt door traditie, dat gene wat dwars door de tijd blijft bestaan. Bedoeld is te zeggen dat het morele en ethische dat de mens aan zichzelf oplegt, vanuit zijn maatschappelijke positie, hoe gering, zowel op micro-, meso-, als op macroniveau steeds gebonden blijft (niet ondergeschikt) aan maatschappelijke ontwikkelingen. Voor deze maatschappelijke ontwikkelingen geldt dat "“ omdat deze bestaat uit individuen en gemeenschappen - ze als bevestigende / afkeurende referentie geldt. De waarheid betekent niet dat het determinisme van de traditie(s) zonder meer wordt aanvaard, men zou dan onvoorwaardelijk aannemen dat de massa en het individu geen bewegingsvrijheden hebben want zij blijven gevangen in het net van de vier grote determinerende machten. De tijd zou alles zijn verloop geven.

Het antwoord is de erkenning en bevestiging ervan, de eis is verzet en protest ertegen en de strijd voor maatschappelijke verbetering.

Is de toehoorder welbekwaam? Bij voorbaat richt J.Kruithof zich tot de juiste toehoorder omdat het over de massa zelf gaat die in haar belangen wordt gekrenkt. Ze zouden de waarheid moeten kennen omwille van het verduidelijken van wat hen in het algemeen aanbelangt alsook het in acht nemen van de actie die voor de vooruitgang van menselijk belang is. Hierbij willen we het volgende opmerken, wat ook J.Kruithofs positie onderstreept, dat men niet tot hen spreekt maar met hen .

Toch zouden we de vraag kunnen stellen of deze massa in die mate "correcte toehoorders" zijn zodat zij de boodschap kunnen aanhoren en begrijpen "“ in acht genomen het wezenlijke verschil tussen doorsnee burger en intellectueel.

Zoals reeds werd aangeraakt is heden de werkende mens, in een kapitalistische wereld sterk gebonden aan het dictaat van het geld waarmee hij zijn lustdrang kan bevredigen "“ zijn geluksstreven wordt zogenaamd bepaald door een subjectivistisch criterium . Men zou kunnen zeggen dat de mens te "dom" is om de macht die hij nodig heeft voor zijn streven naar ontwikkeling te kunnen controleren en naar behoren te kunnen volbrengen. Zoiets berust op een misvatting omdat het niet is bewezen. Ook het individu heeft er nog niet eens de kans tot toe gekregen. Dat houdt in dat "“ zoals het in onze huidige democratie er aan toegaat "“ de vele ijveraars "“ voornamelijk de huidige machthebbers "“ van een beperkte "input" ervan overtuigd zijn dat het individu, gemeenschap of maatschappij de macht niet kan, wil, of mag verwezenlijken . Natuurlijk kan hij ook in al zijn waardigheid misprijst worden aangezien men zegt dat die macht nodig is. Hierbij kunnen we opmerken dat de determinanten van de omkadering worden aanvaard, het individu wordt gereduceerd tot een ten alle tijden controleerbaar handelend wezen.

Men zou het argument kunnen aanbrengen, wanneer men de menselijke verschillen in acht neemt omwille van de wezenlijke geaardheid dat men zich al dan niet tot een bepaald kennisniveau heeft ontwikkeld; dat het zich richten tot en spreken met de massa daarom gedoemd is te mislukken. Het gaat hier om een "argumentum ad hominem" waarbij de intellectueel zich distantieert omwille van de eer en bevrediging die genoodzaakt is te verminderen of te verdwijnen. Natuurlijk zijn er factoren die tijdens het participeren met de massa frustraties te weeg brengen. Het spreken en luisteren kan zich dan wel voordoen. Het protest en verzet is echter een taak die, omwille van de strijd tegen de dominerende machten, getuigt van moed, engagement en inzicht. Evenzeer dient men in acht te nemen dat ook de intellectueel, wanneer hij het bijvoorbeeld tegen de vernietiging van het milieu zou opnemen, het voornaamste element dat zijn verzet kan ondersteunen, verwezenlijken en onderhouden de massa is. IJveren voor ontwikkeling en verbetering, omdat de problemen die men ontdekt bij, en ook de oplossingen slechts hun volwaardige geldigheid behalen en behouden wanneer men de massa "“ de maatschappelijke belangen - erbij in acht neemt. Zo is het voorbeeld van het stemrecht van algemeen belang opdat de democratie, wil zij kunnen blijven bestaan, het sociale geheel als dusdanig ordent. Het verleent één ieders persoonlijke streving - individuen van welke slag ook - een geldigheid die anders (bij verval) de sociale condities grondig zou verstoren; alsook het frustraties zou teweeg brengen in zake ieders waardestreving en dergelijke meer.